Tijdens Erfgoeddag, op zondag 26 april, duik je in het rijkgevulde leven van William Lievens tijdens een overzichtsexpo in de Anglicaanse Kerk. De Oostendse cartoonist tekent al zolang hij zich kan herinneren. Je kan zijn werk kennen van de grappige affiches voor theatergezelschap d'Ostendsche Revue, maar alles begon met cartoons in de krant.
Hoe ben je begonnen met cartoons tekenen?
Eigenlijk is dat heel organisch gegroeid: humor zit van jongs af aan in mijn bloed. In de klas was ik al de clown en op familiefeesten kon ik het niet laten om elke grappige nonkel meteen als karikatuur op papier te zetten. Mijn leerkrachten merkten dat ook op. Ze zagen dat ik tekende, en dat ik er goed in was. Helaas kostte me dat soms punten. (lacht) Maar tekenen heeft me sindsdien nooit meer losgelaten. Het werd een plek waar alles kon.
Waar haal je je ideeën voor die tekeningen vandaan?
Cartoonisten zijn vreemde types. Ze zien dingen die anderen niet zien: de absurditeit achter het gewone, de humor achter het tragische, de waarheid achter de schone schijn. Ons belangrijkste wapen is het potlood. Ik volg de actualiteit op de voet en dat geeft nooit een tekort aan stof. Trump teken ik ondertussen met mijn ogen toe, al tekent die figuur zichzelf bijna. (lacht) Maar het is niet altijd lachen. De oorlogen, het leed, de vluchtelingen, de zinloosheid van geweld; dat raakt me en door te tekenen kan ik de emotie die ik voel uitdrukken. Zo ging dat ook toen ik voor de krant tekende. Als iets me raakte, begon ik met tekenen.
"Cartoonisten zien dingen anders: de absurditeit achter het gewone, de humor achter het tragische en de waarheid achter de schone schijn."
Je woont al je hele leven in Stene. Brengt Oostende ook inspiratie?
Zeer zeker! De stad heeft me al zoveel inspiratie gegeven. De lokale politiek, de soms hilarische beslissingen, de veranderingen in het stadsbeeld, het massatoerisme in de zomer… Voor een cartoonist is Oostende een geschenk dat zich maar blijft herhalen.
Maar het begon allemaal in Stene. Die plek betekent alles voor mij. Toen ik net volwassen was en als opvoeder aan de slag ging bij Koninklijk Werk Ibis, zoog het Steense verenigingsleven me meteen op. Ik tekende affiches voor het lokale theater in het Vossenhol, werkte mee aan de lokale carnavalsstoet, portretteerde kunstenaars voor de Steense Groep… Het was een zalige tijd. Er hing een solidariteit en samenhorigheid in Stene die je nergens anders vond. Iedereen kende iedereen, en iedereen wist dat je bij William moest zijn als je iets getekend wilde hebben.
Veel mensen kennen je werk voor de affiches van d’Ostendsche Revue. Hoe ben je daarmee begonnen?
Doordat ik voor lokale en nationale kranten tekende, kwam ik in contact met de Oostendse perskring. Als cartoonist was ik een beetje een vreemde eend in de bijt tussen al die journalisten, maar we konden het goed vinden met elkaar. Ze nodigden me steevast uit op de persconferenties van d'Ostendsche Revue en ik was meteen verkocht. Want d'Ostendsche Revue doet eigenlijk een beetje wat ik doe: lokale figuren op de rooster leggen, de stad een spiegel voorhouden. Dat sprak me aan. Al snel vroegen ze me om de affiches te tekenen en dat heb ik vele jaren met heel veel plezier gedaan.
"Het plezier dat ik de jongens van Koninklijk Werk Ibis kon geven door samen te tekenen, was voor mij meer waard dan welke prijs ook."
Waarom is het interessant om Stadslezer te zijn?
Er zijn zeker een paar voordelen. Zo krijg je vaak als eerste de kans om een lezing in de Bib bij te wonen. We mochten ook mee de Publieksprijs kiezen bij de uitreiking van de Bronzen Uil voor debutanten. Dat was een hele toffe ervaring voor de groep Stadslezers die meeging. Als je het mij vraagt, mag er zeker twee keer per jaar een bijeenkomst zijn in de vorm van een activiteit.
Wat lees je liefst en hoe vaak?
Ik lees ongeveer 1 boek per week en meestal verschillende boeken door elkaar. Sowieso altijd fictie, want ik ga voor pure ontspanning en entertainment. Meestal zijn het thrillers, want dat genre lees ik graag. Ik kies dus meestal niet voor literatuur. Alleen als ik een tip krijg van iemand. Dan word ik soms aangenaam verrast zoals door ‘Grand Hotel Europa’ van Ilja Leonard Pfeijffer.
"Als Stadslezer heb je vaak als eerste de kans om een lezing in de Bib bij te wonen"
Je won prijzen tot in Tokio. Heb je ooit aan een buitenlandse carrière gedacht?
Die internationale prijzen zijn natuurlijk een mooie bekroning. Maar eerlijk gezegd voelde ik me hier in Oostende zo goed op mijn plek, dat een buitenlandse carrière me nooit echt heeft gelokt. Ik voelde me hier goed, in Oostende, in Stene. En het plezier dat ik de jongens van Koninklijk Werk Ibis kon geven, door samen te tekenen: dat was voor mij meer waard dan welke prijs ook.
Wat wil je dat mensen onthouden van je carrière?
Dat ze misschien eens een cartoonboekje vastnemen en er even in bladeren. Ik geef nog regelmatig boekjes aan mensen die mijn werk appreciëren. Zo’n boekje bekijk je misschien even en dan leg je het weer aan de kant. Maar enkele weken later kom je het weer tegen en dan kijk je er opnieuw in. Dat is mooi.

